Geschiedenis van Marken

Markaland

Marken lag in het begin van haar geschiedenis op de grens van een veengebied waar het land overging in het water van het "Mare Flevo". Marken, of vroeger Markaland, is waarschijnlijk een afgeleide van het woord 'mark', in de betekenis van grens. Markaland betekent namelijk "grensland". Maar er is ook nog een andere verklaring voor de naam; Toen Marken nog aan het land van Noord-Holland vastzat heette het Markerhoofd, ook wel Merkenhovede (ook wel"Merekercke" genoemd op een kaart uit 1573). En in het Marker dialect wordt Marken als "Merken" uitgesproken, wat de link naar Merkenhovede ook zou kunnen verklaren.

Wat vooraf ging

Ver voor onze jaartelling (ca 3000 - 500 v C.) bestond de plek waar het IJsselmeer nu is uit moeras en veengronden. Het meer ontstond als gevolg van een serie overstromingen, maar ook door het afgraven van veengronden door de Friezen in West-Friesland, waarbij steeds meer land verdween dat het oorspronkelijke binnenmeer van de Noordzee en de latere Waddenzee gescheiden had gehouden. Rond het begin van onze jaartelling ontstond een rechtstreekse verbinding en werd het binnenmeer een binnenzee. Deze stond niet in open verbinding met de zee en bevatte dus nog zoet water.

De Romeinen (ca 57 v.C.- 400 n.C.) die destijds ons land beheersten, noemden deze binnenzee Mare Flevo of Lacus Flevo. In deze periode ontstond een groot veen- en merengebied, zo groot als het huidige Noord Holland. Ook Waterland was een onderdeel van dit gebied. Na het vertrek van de Romeinen in de 5e eeuw werd de binnenzee "Het Aelmere" genoemd. N.B.: De naam kan verwijzen naar "paling/aal", maar het kan ook een verschrijving zijn, daar de naam later geschreven werd als Almaere, wat groot meer betekend. Pas vanaf begin 1500 gebruikte men de naam Zuiderzee.

1000: Ontginning

Tijdens een iets drogere periode rond 900 kwamen de lager gelegen veengebieden in Noord-Holland voor ontginning en bewoning in aanmerking. In de 11e eeuw is ook de eigenlijke ontginning van Waterland (en Marken) begonnen. Omstreeks 1000 na Chr. was van het eiland Marken vooralsnog geen sprake. Langs veenstroompjes en op de hoogste veenbulten, begon men dorpen te stichten, waarbij het water meestal werd uitgediept. Met de gewonnen grond werden dan de oevers opgehoogd en werden huizen gebouwd. De nog altijd onregelmatige verkaveling op Marken, die we ook zien op historische kaarten, wijst op een 'vrije' ontginning van boeren die zelf het land uitkozen zodat dit als bouwland kon dienen. In de vroege middeleeuwen liep er een hoofdrivier 'De Waterlandse Die', van Amsterdam naar Monnickendam. Deze waterloop heeft als ontginningsbasis gediend voor Marken. Het gebied tussen Monnikendam en de Uitdammer Die werd ontgonnen.

Al snel steeg de zeespiegel. Hevige stormen en grote overstromingen vonden plaats. Het gevolg hiervan was een afzetting van klei op de veengronden. Bij latere overstromingen sloeg het veen op veel plaatsen weg, maar waar het met een kleilaag bedekt was bleef het veen liggen. Er ging veel land verloren door overstromingen maar ook doordat mensen zelf veen uit de grond haalden. Steeds meer land kwam lager te liggen. De zee nam dorpen als Ruthne, Marcnesse, Nagele, Emelwerth en Bidningahem.

Geleidelijk aan kwam de binnenzee in open verbinding met de Noordzee te staan. Door veel overstromingen kreeg de binnenzee, in deze tijd "Almaere" genoemd, in de loop van de tijd een verbinding met de Noordzee. De Zuiderzee was geboren. Door deze open verbinding kreeg ook het getij, eb en vloed, vrij spel en werd het zoete water brak en later zout.




1164: Eiland Marken

Van 16 op 17 februari 1164, op de naamdag van de heilige Juliana, trof de Sint-Julianavloed (ook Jurriaansvloed genoemd) Groningen, Friesland en Noord-Duitsland. Hierbij werd grote schade aangericht. Het is de eerste schriftelijk overgeleverde stormvloed in het Noordzeekustgebied. Ook Markaland (of Markerhoofd of Merkenhovede) werd getroffen en werd van Waterland gescheiden. Marken werd een eiland.

Op 1 en 2 November 1170 werden vervolgens grote stukken land weggeslagen bij een andere grote storm: de Allerheiligenvloed. De Allerheiligenvloed was een grote overstroming die ontstond toen de Noordzee tussen het huidige Huisduinen en Texel door de duinenrij brak. De beek Marsdiep kreeg een verbinding met de Noordzee en werd een zeegat. Wind en water herschiepen het veengebied ten noorden van het IJ geleidelijk in een aantal (schier)eilanden. Het Creiler Woud (of Kreilse Bos, liep ongeveer van Texel tot Enkhuizen, bekend van de jachtpartij die Floris II van Holland er in 1119 organiseerde ) werd verzwolgen door de zee. Texel en Wieringen werden eilanden.

De overstroming markeerde een begin van het vergroten van het Almaere en het openen naar de Noordzee, zodat de Zuiderzee en de Waddenzee uiteindelijk konden ontstaan. Dat Marken niet ten prooi viel aan de oprukkende Zuiderzee, dankt het aan de monniken van het Friese klooster Mariéngaarde uit Hallum (Friesland, gemeente Ferwerderadiel).


1235: Monniken

Begin 13e eeuw heette het huidige Friesland, Oost- Friesland en een groot deel van het huidige Noord-Hollands West-Friesland. In het jaar 1232 kregen de norbertijner monniken te Hallum, gelegen aan de andere kant van de Zuiderzee in Oost-Friesland, Marken als gift van een groep gelovigen. Zij stichtten daar een heiligdom, het Mariahof, waar nu de Kerkbuurt ligt. Op de plaats van de huidige begraafplaats naast de Grote Kerk lag het klooster Mariëngaarde.

Abt Ethelgerus (1241 - 1259) bracht met enige volgelingen gedurende een winter een bezoek aan het eiland "Markaland" en werd daar opgehouden door het invallen van de vorst.

Volgens een oude Friese kroniek van ca. 1270 kwam Marken tijdens het abt van Sirbrandus (1232 - 1238) in kloosterlijk bezit. Een ander kroniek noemt in dit verband het jaar 1232. (J.A.J. Vervloet, Marken, een terpenzwerm uit de late middeleeuwen). Er woonden waarschijnlijk slechts enkele monniken op Marken, maar wat zeker is dat het klooster centraal stond. Het kleine aantal bewoners van Marken werkten samen met de monniken op het land.

Het kloosterbezit bestond onder meer uit twee boerderijen: een 'westhuse' en een'oesthuse'. De Monnikenwerf (nu Kerkbuurt) is de vroegst bekende werf op Marken en is vermoedelijk ontstaan op de plek waar vroeger het westhuis heeft gelegen, een van de twee kloosterboerderijen op het eiland. Het oosthuis moet waarschijnlijk gezocht worden ter hoogte van de locatie waar eeuwen geleden de Kloosterwerf lag.

Het eiland was geen kostbaar eigendom, maar een drassig stukje land dat er lag 'voor eb en vloed'. De Friese monniken legden een dijk aan rondom het eiland en zorgden voor een afwateringssysteem. (* Mogelijk zijn ze ook initiatiefnemers geweest voor de afdamming van de waterloop ter plaatse van de latere Fluwelen Burgwal in Monnickendam, met de Middendam. Dit is de 'Monniken dam' waaraan het stadje zijn naam heeft ontleend. Niet duidelijk is of de Norbertijner monniken betrokken zijn geweest bij het opwerpen van de vroegste werven, of dat men pas na hun vetrek hiertoe is overgegaan. )

Wellicht zijn in dezelfde tijd ook de dorpsgebieden van andere Noord Hollandse gemeenten omdijkt en dammen in de mondingen van de veenrivieren gelegd. Zo werden in de 13de eeuw dammen gelegd bij Monnickendam, Uitdam, Durgerdam en mogelijk Nieuwendam, Edam, Schardam en Hoorn. In de dammen werden ebsluisjes geplaatst om bij eb het overtollige water uit het binnenland te kunnen afvoeren.

Het land bleef eigenlijk toch te nat voor goede akkerbouw dus gingen de monniken zich vooral bezig houden met veeteelt. Ze hielden varkens, koeien en paarden. Ze bezaten ook een opslagplaats op het vasteland, in Monnickendam, waardoor handelen beter mogelijk was.

Het eiland kwam in die tijd tot ongekende bloei. De producten werden veelal afgevoerd naar Monnickendam, waar de kloosterlingen ook bezittingen hadden. Zij dreven handel met Amstelland, Gooiland, Waterland en Westfriesland. Niet het hele eiland was toen nog eigendom van de Monniken. In 1250 verkoopt Nicolaas van Persijn (Ridder en Heer van Waterland en Marken), de andere helft van het eiland, als uithof, aan abt Sybrandus voor 100 Hollandse ponden.

1345: Willem IV

Er was een voordurende strijd tussen de heren van het Oost- en West-Friesland. En deze zou een einde maken aan de welvaart en orde die het eiland beheerste dankzij het werk van de monniken. "Vechtjas" Willem IV van Holland en Henegouwen "graaf van Friesland", had geld nodig om zijn volgende campagne tegen de Friezen te lanceren. Willem IV hield wel van een potje vechten en was dan ook vaak op toernooien een bekend gezicht.

Een deel van de kosten wilde hij dekken door het eiland Marken van de Friese monniken af te pakken. Dus kwamen zijn mannen in juli van het jaar 1345 eens goed kijken wat daar allemaal te halen viel. De monniken werden verdreven in het voorjaar van 1345. Hun bezit wordt geconfisqueerd. Het land werd opgemeten en de boedel geteld, dit werd op 23 juli 1345 officieel vast gelegd in oorkonden over grondbezit. In September 1345 land Willem IV in Stavoren en verliest het leven in de slag bij Warns.

Zijn jeugdige gemalin, een dochter van Jan III, Hertog van Brabant, was over zijn dood zo verstoord op de Friezen, dat zij het klooster der Friese Monniken op Marken, in brand liet steken en alle overgebleven monniken in zee, in "de kuil van Marken" liet werpen.

Daar Willem IV geen kinderen na liet, werd zijn zuster Margaretha, die met keizer Lodewijk gehuwd was, als gravin gehuldigd. In 1346 verkoopt zijn zus Margaretha het eiland met alle gebouwen, goederen en "levende have", gedeeltelijk aan de oorspronkelijke bewoners gedeeltelijk aan aan de poorters van Amsterdam. In een andere Bron (Bakhuizen van den Brink) noemt men een tiental inwoners van Merkenhovede (Marken) en een zestal Amsterdammers; "De verkoop van het Marker bezit ging niet van een leien dakje: Het was boos weder, en de zaamgevloeide koopers zagen zich gedwongen zesmaal op het eiland te overnachten, omdat zee en hemel hun niet toelieten dat te verlaten."

Rond 1400 hadden de Franciscanessen een nonnenklooster op de plek waar het klooster van de Monnikken stond gebouwd. ( N.B.: Als gevolg van de Reformatie worden de nonnen na 1572 uit het klooster gezet en wordt het gebouw afgebroken. Op deze plaats bouwt de stad Monnickendam in 1612 een oudemannenhuis. Dit wordt in 1633 afgebroken. Door de nieuwe Franse wetgeving mag er vanaf 1810 niet meer worden begraven in kerken. Daarom werd hier in 1813 naast de kerk de begraafplaats ingericht. )

Met het vertrek van de monniken breekt er een donker tijd aan voor het eiland en haar bewoners. Het land werd gebruikt voor het zaaien van mosterdzaad, hennep, bonen en gerst. Op andere landen liepen koeien voor boter en kaas en er werden paarden gefokt. Nadat de monniken het eiland verlaten hebben, is de orde en rust op het eiland verdwenen. De Zuiderzee gedraagt zich na 1345 een stuk agressiever dan voorheen en maakt het behouden van de dijken zonder de monniken erg moeilijk. De onderhoudskosten aan de dijken zijn hoog, en ondanks de genomen moeite sleurt het zoute water de oogsten mee de zee in.

De afwezigheid van de Monniken zorgt ervoor dat de boeren de dijken verwaarlozen, en het leven van de landbouw en veeteelt steeds moeilijker wordt. Dit is niet de enige reden dat het slecht gaat met de landbouw, al jaren wordt het zoute water gebruikt het land te bevloeien en dit komt de vruchtbaarheid helemaal niet ten goede. Op een gegeven moment is het land alleen nog geschikt voor hooibouw. De hooioogsten waren lange tijd voor sommige bewoners het belangrijkste middel van bestaan. Het hooi werd verkocht naar Amsterdam, waar het diende voor het onderhoud van rijtuig- en sleperspaarden.

Na grote overstromingen werd soms de doorgebroken dijk niet hersteld, maar werd er een nieuwe dijk enigszins landinwaarts achter gelegd. Hierdoor ontstond aan de buitenkant van de dijk voorland. Dit voorland vormde a.h.w. een buffer voor de dijk, die als bescherming tegen de golven fungeerde. Er kwam steeds meer land buitendijks te liggen. Omdat de dijk een aantal malen is teruggelegd verloor Marken gaandeweg een flinke oppervlakte land. Het huidige eiland heeft een oppervlakte van 263 ha en een omtrek van 8,4 km. Marken heeft daardoor eenderde van zijn oorspronkelijke oppervlakte verloren.





1500: Werven

Marken lag in het begin van haar geschiedenis op de grens van een veengebied waar het land overging in het water van het "Mare Flevo". Marken, of vroeger Markaland, is waarschijnlijk een afgeleide van het woord 'mark', in de betekenis van grens. Markaland betekent namelijk "grensland". Maar er is ook nog een andere verklaring voor de naam; Toen Marken nog aan het land van Noord-Holland vastzat heette het Markerhoofd, ook wel Merkenhovede (ook wel"Merekercke" genoemd op een kaart uit 1573). En in het Marker dialect wordt Marken als "Merken" uitgesproken, wat de link naar Merkenhovede ook zou kunnen verklaren.

Doordat in de 14e eeuw, de zee steeds gemakkelijker en vaker over het land spoelt, besluiten de bewoners van Marken terpen op te werpen en daar hun huizen op te bouwen. Hoog en droog van het water. De terpen werden werven genoemd.

Van oorsprong bestond het bewoonde gedeelte van Marken uit de buurten Monnikenwerf en de Kleine en Grote Kloosterwerf. De andere werven zijn gebouwd in de loop van de 15e en 16e eeuw.

Monnikenwerf was het oudste gedeelte van de tegenwoordige "Kerkbuurt". Hier stond "Het Westhus" van de Monnikken van Mariengaarde, die tot 1345 op Marken waren. De naam Kerkbuurt, ook "Mekurf" genoemd, komt in geschriften voor het eerst voor in 1470. De huidige Kerkbuurt, ook "Mekurf" genoemd, is eigenlijk een toevoeging van drie werven:"Het Westhus", "Monnikswerf" (zuid-oost zijde) en en een werf aan de noord west zijde. Hoe deze laatste werf werd genoemd is niet bekend. Later werd "het Kerkland" ( Zuid west zijde van de Kerkbuurt) als onderdeel van de Kerbuurt beschouwd.

De twee Kloosterwerven zijn verzwolgen door het water. De huidige "Rozenwerf" zou een gedeelte van de "Kleine Kloosterwerf" zijn geweest. In de Kleine en Grote Kloosterwerf, was voorheen het "Oesthuse" van de Monnikken van Mariengaarde. De twee werven zijn afgebrand tussen ca. 1715 en 1735.

Op het hoogtepunt van de terpen zouden er 27 werven op het eiland te vinden zijn geweest. Het is niet onwaarschijnlijk dat er daadwerkelijk 27 werven op marken waren. verschillende werven lijken namelijk in de loop van de tijd, verschillende namen te hebben gehad.

Vandaag de dag zijn er nog 12 bewoonde werven: Havenbuurt, Buurten, 1, 2, 3 en 4, De Kets, Kerkbuurt, Grote Werf, Witte werf, Rozenwerf, Moeniswerf en de nieuw opgebouwde Minneweg.

Wittewerf was vermoedelijk voorheen "Eynste Werf".

Drie werven zijn alleen in het landschap nog min of meer herkenbaar en aangemerkt als archeologische monumenten. Dit zijn: Remmitswerf (Ook wel genoemd "Het Akkertje". Oudste naam gevonden voor de werf was de "Remmitdariswerf". Afgebrand omstreeks 1706), de Heuvel (naast de Rozenwerf, ook wel Reynseswerf. Afgebrand ca, 1810) en de Noorderwerf (Noord oost van het eilland richting het Paard van Marken. Afgebrand ca. 1731)

De werf Altena (vermoedelijk voorheen "Aaltje Maatswerf" en "Pouwelswerf") werd in 1818 als woonplaats verlaten en is vervolgens in 1845 ingericht als begraafplaats.

De Vuurtoren "het Paard van Marken", lag oorspronkelijk op het eiland. Bij laagwater kon je een aantal decenia geleden, ten zuid westen van de vuurtoren, in de ondiepe plekken zien, waar ooit 3 oude werven gelegen hadden; De Tamiswerf ( Tot ca, 1720 ), de Houtmanswerf (Vermoedelijk voorheen "Oudemanwerf". Tot ca. 1703 ), de Kraaienwerf ( tot 1775 ).

De eerste terpen, hadden een omvang voor het bouwen van een huis. Later werden deze terpen vergroot met veel kruiwagens en zand, en een plaats gemaakt voor een tweede huis. Iedereen wilde graag droog wonen en de schaarse ruimte moest optimaal worden benut, daarom staan alle huizen zo dicht op elkaar. Zo groeiden familieterpen uit tot hele buurten (werven).

De overstromingen waren onderdeel van het dag en dagelijkse leven op Marken. Tot 1870 werd er uitsluiten op de terpen gebouwd. In de 19e eeuw ging men over op het bouwen van paalwoningen. Toen het grootste gevaar voor de zee geweken was, zijn deze open onderkanten dichtgemaakt. Het oudste type paalwoningen ligt in het oostelijke deel van het havengebied. Paalwoningen van meer recente datum bevinden zich in de buurt "de Kets". De paalwoningen werden vaak in stroken tegen de werf gebouwd.

Later, toen er, na de afsluiting van de Zuiderzee in 1932, geen gevaar meer was voor overstroming, werd de ruimte tussen de palen bij de woningen getrokken. De benedenverdiepingen werden dichtgemaakt en werden zo als extra woonruimte in gebruik genomen. Er ontstonden toen onderhuizen.

Het water maakte de 'werven', tot piepkleine eilandjes op het eiland. Het water dat soms maanden hoog bleef, zodat je al die tijd louter op elkaars gezelschap was aangewezen. Als de paden die de buurten en werven met elkaar verbonden waren ondergelopen, verplaatste men zich met roeiboten. Voordat er een gemaal kwam, waren er verschillende sluizen die zich door overdruk naar zee toe openden. Het duurde soms enkele weken voordat de sluizen binnen Marken het zeewater weer weggewerkt hadden. Maar als de vloed kwam sloten ze weer om te voorkomen dat er opnieuw water op het eiland zou lopen. (Op de kaart zijn de "oude sluizen weergegeven")

Op de: Werven + Buurten, staat een mini poster, met informatie en de locaties van alle oude en bestaande werven en buurten. Deze kan ook als mini-poster in pdf-formaat hier gedownload worden

Werven en Buurten





1600: Visserij

Door bevloeiing van het zilte zeewater en inklinking was de grond alleen nog geschikt voor hooibouw. De Markers werden gedwongen om een andere broodwinning te zoeken en gingen zich toeleggen op visserij en scheepvaart. In de zeventiende eeuw kwamen de visserij en de scheepvaart tot grote bloei.

In 1620 was dat aantal echter al gegroeid naar 750. De opbloei van de scheepvaart werd mede veroorzaakt door de Oostindiëvaarders. De lading van de Oostindiëvaarders werd op de rede van Texel voor een groot deel overgeladen in schepen voor de binnenvaart met een geringere diepgang.

Voor de meeste schepen was Amsterdam door een te lage waterstand (vaak) niet te bereiken. Daarom werden deze schepen bij Pampus op een zgn. scheepskameel gezet, een soort varend droogdok, en na hierdoor te zijn opgeheven, door kleine schepen naar het IJ gesleept. De kleine schepen nu, die dus een soort primitieve sleepdienst verrichtten, kwamen (grotendeels) van het eiland Marken.

Deze vaartuigen werden waterschepen genoemd. De Markers voeren niet alleen op de waterschepen, zij bemanden ook de schepen voor de walvisvaart. Mogelijk kunnen wij in deze walvisvaart de oorzaak zien van (zekere) Scandinavische invloeden bij het houtsnijwerk en de kledijversiering. Op Marken ging men zich ook meer op de haringvangst toeleggen. De Marker "Gouden Eeuw" begon pas omstreeks 1830, toen de visserij op de Zuiderzee zich erg gunstig ging ontwikkelen. De vloot telde in de negentiger jaren bijna 200 botters. Het zich steeds meer uitbreidende Amsterdam had veel behoefte aan vis.

Het waterschip

Dit zijn heel bijzondere schepen. Ze zijn uitgerust met natte ruimen. Aanvankelijk werden ze gebruikt voor de visvangst, maar ook als koopschip, voor het vervoer van levende vis. Later kwam de nadruk te leggen op het gebruik als sleepschip, om grote handelsschepen over de ondiepte Pampus te slepen. Wat al snel in het oog valt, is de treffende familie-overeenkomst die deze schepen vertonen met onze Volendammer kwakken. Het is aannemelijk, dat de kwak een doorontwikkeling is van het waterschip. Maar het lijkt er sterk op, dat ook de Friese palingaken uit ditzelfde oertype zijn voortgekomen.

De deken is overdekt met een merkwaardige bolvormige opbouw. Opvallend genoeg ontbreken zwaarden en berghouten, waarmee de romp het aanzien van een Staverse jol krijgt.

Deze schepen hadden meestal hun uitvalsbasis op het eiland Marken, om snel hulp te kunnen bieden aan grote schepen in de aanloop naar Amsterdam. Want op de ondiepte Pampus stond met gewoon peil slechts tien en halve voet bij hoogwater en 9 voet bij laagwater, dus een verval van anderhalve voet. Bij springvloed stond er 13 voet. Deze droogte belette dus de grote vaartuigen om voor Amsterdam te komen. Men zocht middelen om deze hindernis te overwinnen. De Amsterdammer MEEUWES MEINDERTSZOON BAKKER heeft toen in 1691 de Scheepskamelen uitgevonden.

Door de kamelen leeg te pompen, kon men schepen die 19 voet diep gingen lichten tot elf en een have voet. Men kan er vanuit gaan, dat in die tijd ook waterschepen in gebruik zijn geraakt zijn, hoewel die niet meteen de doelmatigheid hadden, die ze later bezaten.

In het begin was dit een geheel particuliere onderneming. Er hadden zich twee compagniën of rederijen gevormd, de Grote en de Kleine Compagnie. Voor de grote voeren tot 15 waterschepen onder één kas, en voor de kleine slechts drie schuiten.

De Grote Compagnie was door contracten met de Raden ter Admiraliteit (anno 1741, getekend door de heer J.C. HARTSINCK) en door een akkoord met de VOC gebonden. Hun schepen hadden, ten teken, dat zij onder contract voeren, een blikken plaat, met het wapen der Admiraliteit, door de Equipagemeester aan hen uitgereikt, voorop de steven. Door dit merkteken waren de commanderende officieren van 's lands marineschepen verplicht om zich van deze gemerkte schuiten te bedienen.

Deze contracten waren mede gesloten, om te allen tijde verzekerd te zijn van spoedige hulp, zodat willekeurige afperspraktijken op sleeplonen werden voorkomen. Tevens bereikte men ermee, dat 's lands marineschepen het eerst geholpen werden. De schepen van de Kleine Compagnie sleepten alles wat voorkwam, behalve marine- en VOC- schepen; daar hadden ze geen recht toe.

In 1756 waren er maar dertien schepen op het eiland Marken, die jaarlijks F 3.50 aan plaatselijke belasting opbrachten. In 1783, bij aanpassing op het contract met de Admiraliteit, getekend door de heer WILLEM MAIJ, werd het wapen de Admiraliteit met zwarte verf in de zeilen geschilderd, om deze waterschepen nog zichtbaarder van die der Kleine Compagnie te onderscheiden, om elke vergissing te voorkomen.

In het begin van de 19e eeuw waren de schuiten zodanig verarmd, dat de kas ontoereikend was voor onderhoud en vernieuwingen. Het land en de koophandel vonden het echter van groot belang om deze vaartuigen in stand te houden. Daarom kregen zij, in het belang van de Amsterdamse koophandel een som van 70 à f 75,000, om in het onderhoud te voorzien. Dat was echter niet voldoende om de vaartuigen weer in goede staat te krijgen. Zo raakten de Grote en de Kleine Compagnie in duigen, en het Gouvernement nam van dat ogenblik af (1802), het beheer der schuiten op zich.

Er werden vijf Commissarissen benoemd, twee van Gouvernementswege, twee van de Compagnie, en een van de koophandel in het algemeen. Deze commissie aanvaardde hare werkzaamheden met het inspecteren der bestaande schuiten; sommige werden afgekeurd en andere ondergingen een grote reparatie. Men bouwde voor de afgekeurde schepen op de admiraliteitswerven in Amsterdam en Rotterdam nieuwe in de plaats, en bracht het getal weer op achttien vaartuigen. Het waren de Neptunus, de Mercuur, (die de eerste waren, die in 1802 in Amsterdam werden nieuwgebouwd), de Marken, Amsterdam, IJ- stroom, Zephier, Europa, Zeepaard, Papenbraak, Boreas, Zeevaart, Dolfijn, Vigelantie, Aurora, Noordzee, de Sleper, de Bruinvisch en de Zeemeeuw. Deze namen waren met zwarte verf in de nok van de zeilen geschilderd. De Commissie benoemde een Agendaris op het eiland Marken, die de belangen over en weer moest behartigen, en tevens een voorman (euverlieden door hen genaamd) voor elke zes schuiten, die weer verantwoording schuldig was aan de Agendaris voor die zes schuiten.

Vanaf dat ogenblik hadden de waterscheepslieden enigszins het verlies van hun zelfstandigheid te betreuren; maar aan de andere kant waren ze bijzonder blij dat ze gesteund werden door zo'n grote en goede rederij, waaraan ze slechts het een zesde deel van hun sleeplonen afdroegen. Hiermee werd een reservefonds gevoed, waaruit om de 4 of 6 jaar belangrijke reparaties aan de schuiten bekostigd werden. Niettemin waren zij verplicht volgens het reglement om de schuiten zelf het jaarlijks onderhoud en de uitrusting te betalen. De schippers hebben in die tijd voor het recht om te varen van f 200 tot f 1900 betaald.

In de jaren 1799, 1805, 1807, en 1809 zijn deze schepen bewapend geweest, met twee stukken van 30 of 24 pond voorop en 2 van 8 pond achteruit. Ze hadden toen militairen aan boord en dienden ter verdediging van het IJ.

Van 1811 tot 1813 waren de meeste van deze schepen opgelegd te Edam. Vier bleven in dienst van de Marine, voor de haven van Medemblik, om schepen te escorteren. De gezamenlijke schippers losten elkaar af op de vier schuiten, en de sleeplonen werden onder elkaar gedeeld. Omdat er toen bijna geen werk was, leden deze mensen gebrek. Sommigen visten op ansjovis, en hadden daardoor een kleine aanvulling op hun inkomen. Dit was nog steeds zo, toen koning Willem I op de troon kwam. Het vond het van belang, om de koophandel van Amsterdam weer in staat te stellen om met volbeladen schepen Amsterdam te bereiken. Daarom werd bij resolutie No. 1 van 1 september 1814 de Commissie van Toezicht over de waterschepen van het eiland Marken in haar functie hersteld.

Deze commissie stelde dadelijk weer alles in het werk om de oorspronkelijke organisatie te herstellen en te verbeteren, de schuiten na te zien, enzovoorts. In 1824 en 1825 werden 6 van de 18 schuiten gesloopt, vanwege hun slechte staat. De gezamenlijk bemanningen gingen op de 12 resterende schepen over. Zij voeren vanaf toen met drie man aan boord, wat daarvoor altijd met twee man was gebeurd. Door de aanleg van het Noord- Hollands kanaal, van groot belang voor de stad Amsterdam, werden deze schepen geheel overbodig, zodat de laatste in 1827 aan slopers zijn verkocht.

Bij Koninklijk besluit is de verkoopopbrengst, de reservekas en bovendien een gratificatie aan de gezamenlijke bemanningen uitbetaald. Sommige ontvangen een pensioen. Thans (1831) vindt men op het eiland Marken een dertigtal botters, door rijkere bewoners aangeschaft. Ze vissen en slepen schepen, die het kanaal niet gebruiken, over Pampus. Ook zijn sommige van de waterscheepslieden in dienst van de heer KATER, als bemanning van de klepschuiten (dit zijn baggerbakken) .

De bouwwijze mag vreemd worden genoemd, zoals uit de afbeelding blijkt. In de 18de eeuw waren er waterschepen in Hoorn, Zaandam, Marken en Uitdam. Ze werden meestal gebouwd in Hoorn, Muiden en Edam. Gewoonlijk was de lengte 60 à 70 voet (dit is 17 tot 19 meter), de breedte tussen 5m66 en 6m37, de holte op het boord 2m80. Het waren schepen met een bun.

Het inwendige was als volgt verdeeld: voorin het ruim een vooronder met een stelling erin, waarop, recht onder een plechtluik, de breefok met de banden naar boven gereed lag. Zo kon die blindelings en snel naar boven worden gehaald met een pikhaakje, als hij nodig was. Daarachter was een kabelstelling, waarop het touwwerk opgeborgen werd. Daarachter het mastpoor en de hoos, waar een pomp middenin geplaatst stond. Daarachter had men de voor- en achterbun, waartegen aan de zijkanten nog kabelstellingen waren getimmerd. De twee bunnen waren doormiddel van een dwarsschot van elkaar gescheiden. Het dek over de bunnen noemde men het deken. De buntrog was van boven afgedicht met roosters die in sponningen lagen.

Achter de bun was het achteronder. Dit was de berging voor hout, turf, touwwerk, enz. Tevens was er een achterpomp geplaatst. Op het bovendek had men, van voor naar achteren, eerst binnen tegen de voorsteven een braadspil om de ankers mee te lichten. Daarachter het vooronderluik, de mast, de voorpomp, een spil voor de spriet (het schip had een spriettuigage). Daarachter een dubbele roef. De toegang tot de voorroef was met twee deuren, aan weerkanten een. Via die deuren kwam je aan weerskanten van de buntrog uit.

In de achterroef, tegen het tussenschot met de voorroef, was de stookplaats, waarvan de schoorsteen boven de roef uitkwam. Verder was de achterroef ingetimmerd met twee vaste kooien, kastjes en verdere gemakken. Achter de roef had men het achteronderluik, de achterpomp, de overloop, en geheel achter bij de steven een rol of een braadspilletje, om daarmede de kuul of het visnet in te winden (bij kwakkuilen heb je precies hetzelfde: de kwakkerol). Ook ter hoogte van de achterkant van de roef waren nog twee spilletjes (voor de gaffelgeerden? Of de fokkeschoot? Of de neerhouders van de kwakbomen?).

De tuigage bestond uit een mast, die enigszins krom was en voorover stond. De top was voorzien van een langwerpig sieraad, waaraan in het midden een Hollands vlaggetje wapperde. Aan den boven- en onderkant was het bewerkt met met haantjes, hennetjes, lelies enz. Dit noemde men de palmpaas. Als de schepen bewapend waren, was de top voorzien van een trommelstok, waaraan de wimpel gehesen werd.

Verders bestond de tuigage uit een spriet, net als bij een kaag (ander scheepstype), een breefokkera, een breefokkeboom, die afhankelijk van de koers in , een inkeping werd gezet van een balk die dwars over het schip liep (de breefok werd dus op precies dezelfde wijze gevoerd als op kwakken!).

De zeilen, die ze voerden, waren: het spriet- of grootzeil, een stagfok die op de voorsteven werd gevoerd en waarvan de schoot tot aan de roef kwam. Bij harde wind werd de fok ingetoomd door een inschering van touwwerk, de gordijn genaamd (!) naar het voorste hoofdwant. Verder een breefok, bij het voordewind zeilen, zoals op de afbeelding wordt getoond met de in werking zijnde schepen.

De Markers zijn als stoute zeelieden bekend; men vertelde mij op Marken onlangs zelfs, dat er onlangs één van de voormalige waterscheepslieden was overleden, die het tot in zijn laatste jaren nog gespeten had, dat hij nooit zo veel wind had meegemaakt, dat hij ervoor had moeten zeilstrijken met het waterschip (waar vind je zulke Markers nog) Als ze zwaar moesten zeilen werd de schuit gewoonlijk geballast door het laten vollopen van de bun. Ze hadden twee ankers aan boord van 25 kg en twee ankertouwen van 7 duim (omtrekmaat, is ca. 5,7 cm dik!); verder 4 sleeptouwen van 5, 6, 7 en 8 duim dikte, en 30 vadem lengte.

Door de reglementen waren ze verplicht om te allen tijde vier slepers benedenwinds gereed te hebben liggen, om op het eerste sein assistentie te kunnen verlenen. Dit sein was vanaf marineschepen gewoonlijk de rode vlag in de grote mast, en voor de handelsschepen de Hollandse vlag vanaf de gaffel.

Als er een sleper op het sein afgekomen was, en men wilde er een tweede bij hebben, dan was de eerst verplicht een vlag van achterop te voeren, en zo vervolgens de tweede aan de derde, net zolang totdat men de benodigde schepen bij zich had. Het schip dat gesleept werd, gaf een kabeltouw aan de achterste sleper, dat het aan loef aan z'n mast bevestigde. De overige kabels gaven alle slepers aan elkaar. Indien het gesleepte schip niet sturen kon, dan stuurden de slepers doormiddel van een spring op het sleeptouw. Om een schip over het Pampus te brengen, moest men het gunstige ogenblik afwachten van wind en getij.

Omdat de grote marineschepen gewoonlijk door de scheepskamelen tot op 3m22 diepgang gelicht werden, ging dat vrij goed. De kracht die de slepers konden uitoefenen als zij voorgespannen waren, was onbegrijpelijk. Ze waren in staat om schepen tot ruim een meter diep door de grond te slepen! Ik heb vijf waterschepen getekend, die zijn voorgespannen en een linieschip op kamelen over Pampus brengen, en één die juist haar anker gelicht heeft, in het zicht van de vuurtoren van het IJ. In 1756 waren er 13 slepers actief op vanaf het eiland Marken. Het laatste waterschip is gesloopt 1n 1827.

Bron: Vyftig afbeeldingen van Schepen en Vaartuigen, in verschillende bewegingen - P. le Compte - 1831 - Vertaald naar eigentijds Nederlands door Henk de Boer, dec. 2005












1700: Het Paard

De vuurtoren van Marken. De toren heeft een hoogte van 16m en een lichtbereik van 16,7km.

De toren is in 1700 begonnen als een vierkante vuurtoren. Dit was er een van Suyderzeese Vuurbakens; bij Marken, De Ven en Durgerdam waartoe in 1699 werd besloten om de route van de Waddenzee naar Amsterdam te markeren.

Voor 1700 heeft er waarschijnlijk ook al iets gestaan om de land tong aan te duiden. Er is een vermoeden dat de Moren daar een vuur stookte om zo schepen langs Marken te laten varen. ( Vandaar misschien ook de Moorkop in het wapen van Marken ). Er staat namelijk meestal zuid-west-zuidwesten wind in nederland, dan vaar je het liefst aan de west zijde van de Zuiderzee. (Zie ook "het Marker wapen".)

De torens, de Ven en Durgerdam waren oliebakens volgens het ontwerp van Jan van der Heyden. En het Paard van Marken was een vuurbaken. Omdat er hout naar de "vuurtoren" gebracht moest worden, ontstond hier, onder andere de uitdrukking: "Zo sterk als een beer". Daarom worden "Markers" ook "Marker beren" genoemd.

Een leuke wetenswaardigheid uit de geschiedenis: De drie kruizen in het wapen van Amsterdam, verwijzen naar de vuurtorens; de Ven en het Paard van Marken en Durgerdam. De kleur rood staat voor "land" en de kleur zwart staat voor "Zuiderzee". De drie kruizen staan voor "het licht".

Rechtsonder het rijkswapen van het Centraal Station in Amsterdam zie je de verwijzing naar de drie-eenheid: De Ven, Durgerdam en (de beer van) Marken. De adelaars verwijzen naar "de oliebakens"; "Wie olie heeft, heeft macht en daar was welvaart."

Vroeger had het wapen van Amsterdam maar 1 kruis. (Zie de afbeelding op het station aan de linker kant). Dat kruis is een Andreas kruis. Dat kruis stond voor de Sint Niclolaas kerk (ca.1306). De Sint Nicolaas kerk was de kerk voor vele zeelieden want St Nicolaas was de schutspatroon van de zeelieden.

(N.B.: Een schutspatroon, ook wel "beschermheilige" of "patroonheilige" genoemd, of kortweg patroon, patrones of patrocinium genoemd, is in de rooms-katholieke Kerk een heilige of een engel die wordt beschouwd en vereerd als beschermer van een stad, land, kerk, gilde, beroepsgroep of individu. De beschermheilige kan in geval van ziekte of andere noden worden aangeroepen. Het kan ook de heilige zijn van wie men bij het doopsel de naam ontvangt.) De Sint Nicolaas kerk is nu de Oude Kerk.

In 1817 gaf de koning toestemming voor het sluiten van een onderhands contract voor aanbesteding van reparaties aan de vuurtoren op Marken en voor de levering van benodigde materialen. De huidige vuurtoren is ontworpen door J. Valk: De vierkante stenen toren vervangen door een rond ijzeren exemplaar op de oude fundering. In 1838 werd de directeur-generaal van Marine gemachtigd voor het slopen van de oude toren tot één meter boven de begane grond en voor de bouw van een geheel nieuwe toren en van een wachterwoning. Op de toren moest een catadioptriek lichttoestel van de vierde grootte naar Fresnel en een lantaarn geplaatst worden.

Op 20 juni 1839 legde kapitein-luitenant ter Zee Jhr. Herman Adr. Van Karnebeek, tijdelijk onderinspecteur van het Loodswezen te Amsterdam, de eerste steen. Het licht werd op 14 november 1839 voor de eerste maal ontstoken. Later werden er een bakstenen gebouw met een woning en opslagplaats aan de vuurtoren gebouwd, die de toren de karakteristieke vorm gaf. In 1814 kreeg de toren een mistbel. In 1919 is de mistbel vervangen door een misthoorn. Het licht heeft een onderbroken karakter: 6 seconde helder en 2 seconde duister. Het ontsteken van het licht is geautomatiseerd, er is dus geen vuurtorenwachter meer in dienst. Maar het huis is wel bewoond.

Regelmatig heeft de vuurtoren last van kruiend ijs. In 1971 was dit zo erg dat de toren enkele centimeters van zijn plaats werd geduwd. Sinds 1970 bezit de toren de status rijksmonument.




1816: Het Wapen

"Van lazuur beladen met een moorkop van goud"

Op 26 juni 1816 werd het wapen van Marken door de Hoge Raad van Adel aan de toenmalige gemeente Marken toegekend.

Het wapen toont een blauw schild met daarop het hoofd van een Moor van goud. (In de heraldiek word blauw ook "lazuur" genoemd en wordt gebruikt als referentie naar wetenschap, waarheid. De gouden / gele kleur verwijst in heraldiek naar wijsheid en rijkdom).

Waar het gouden hoofd vandaan komt, of wie het voor zou kunnen stellen, is onbekend. Er is van alles gesuggereerd; het zou zelfs een afbeelding zijn van Christus of St Maurice de Moor. ("Christus of St Maurice de Moor" is de zwarte beschermheilige voor Europa in de middeleeuwen waarvoor William Shakespeare als eerste het synoniem "de Moor" gebruikte )

Ook is er een vermoeden dat de Moorkop zijn oorsprong vind in de tijd voor 1700. Voor de huidige vuurtoren, Het Paard van Marken" is gebouwd. De toren is in 1700 begonnen als een vierkante vuurtoren. Dit was er een van drie vuurtorens bij Marken, De Ven en Durgerdam waartoe in 1699 werd besloten om de route van de Waddenzee naar Amsterdam te markeren. En voor 1700 heeft er ook al een markering geweest om de land tong aan te duiden.

Er is een vermoeden dat Berbers ( ook wel "Moren" genoemd ) daar een vuur stookte om zo schepen langs Marken te laten varen. Er staat namelijk meestal zuid-west-zuidwesten wind in Nederland, dan vaar je het liefst aan de west zijde van de Zuiderzee aan lager wal.

Het wapen wordt sinds 1991 niet meer officieel gebruikt, toen Marken is opgegaan in de gemeente Waterland.

De Moren

Ook is er een vermoeden dat de Moorkop zijn oorsprong vind in de tijd voor 1700. Voor de huidige vuurtoren, Het Paard van Marken" is gebouwd. De toren is in 1700 begonnen als een vierkante vuurtoren. Dit was er een van drie vuurtorens bij Marken, De Ven en Durgerdam waartoe in 1699 werd besloten om de route van de Waddenzee naar Amsterdam te markeren. Voor 1700 heeft er echter waarschijnlijk ook al iets gestaan om de land tong aan te duiden. Er is een vermoeden dat de Moren daar een vuur stookte om zo schepen langs Marken te laten varen. ( Vandaar misschien ook de Moorkop in het wapen van Marken ). Er staat namelijk meestal zuid-west-zuidwesten wind in nederland, dan vaar je het liefst aan de west zijde van de Zuiderzee aan lager wal.

Wie waren die Moren?

Moor: Noord-Afrikaan, Berber van het oude Frans: More, van het middeleeuwse Latijn: Morus, van het Latijnse: Maurus, wat betekent: inwoner van Mauritanie (Noord-west Afrika een gebied die nu correspondeert aan Noord-Algerije en Marokko.) Van het Griekse: Maures, misschien een oorspronkelijke naam of anders een synoniem van "zwart". Dit waren donkere mannen en vrouwen net als "Moriaantje zo zwart als roet". Sommige Moren waren islamieten en Berbers, andere Moren waren weer christenen en weer anderen hielden de oorspronkelijke Afrikaanse geloofstructuur aan.

De Moren werden zo genoemd vanaf de 5e eeuw v.Chr. Ze heetten ook zo in het leger van Carthago dat tegen de Grieken vocht in 406 v.Chr. en ze hadden ook die naam in het leger van Hannibal Barkas. De herkomst van de naam is omstreden, sommigen verklaren dat als Semitisch woord Mahur dat wester of westers betekent bij de semieten, terwijl anderen het herleiden naar een Grieks woord dat ook westen betekent. De westerlingen stonden toentertijd namelijk bekend om hun wrede genocides en slaven-handel.

In het jaar 711 vielen de Moren Spanje binnen. In de ongeveer 5 decennia hierna wisten zij geheel Spanje en het zuiden van Portugal te veroveren. Vanaf ongeveer 800 begint de Reconquista, waarbij de Moren teruggedrongen werden. Men had slaven, niet alleen uit Spanje, maar ook uit Noordelijker gelegen landen zoals Nederland. De Moren waren de 1e die beschaving brachten naar Europa. Dingen als persoonlijke hygiëne, muziek, denksporten, infrastructuur, straatverlichting, architectuur en zelfs de 1e universiteit zijn door Moren naar Europa gekomen. Zo was volgens sommigen Mozart ook een Moor.

Zwarte piet?

De stap van het wapen van Marken naar de discussie rond Zwarte Piet is niet groot. Zwarte Piet en Sinterklaas. Ook zo'n stuk oerHollandse folklore waarvan niemand weet hoe het allemaal bij elkaar is gekomen. Veel mensen associëren Zwarte Piet met een slaaf uit Afrika. Dit zal komen door het Nederlandse slavernij verleden. Maar het tegendeel is waar: Zwarte Piet is juist de slavendrijver die blanke Europeanen eeuwenlang op grote schaal tot slaaf maakte, nog voordat Europa z'n eerste Afrikaan kocht. Zwarte Piet is namelijk gemaakt naar het model van de Moren. In heel Europa waren de Moren en latere Noord-Afrikaanse volkeren tot diep in de 18de eeuw berucht om hun ontvoeringen, meestal vanaf de kust. Met name blanke vrouwen en kinderen waren in trek. Die werden vervolgens in de tijd van de Moren meegenomen naar het door hen bezette Spanje(!) en Noord-Afrika om verkocht te worden op de slavenmarkten. Vandaar ook de angst in die tijd onder ouders, dat hun kinderen zouden worden ontvoerd en meegevoerd naar Spanje en omstreken. Vele jaren later werd die angst gebruikt voor het kinderverhaal rondom Sinterklaas. De Zwarte Piet moest de kinderen (met een knipoog) angstig maken waardoor ze het hele jaar braaf zouden zijn. Waren ze dat niet, dan gingen ze mee in de zak naar (juist!) "Spanje". (Zie ook: "www.dagelijksestandaard.nl/2013/10/ zwarte-piet-is-een-moorkop" )

Een nieuwe vlag!

In 2014 onstond het idee om het wapen van marken opnieuw leven in te blazen.
De vlag werd herontworpen door de "Marker" Stanley Appel (zoon van Jonge Jaap Appel and Sijtje Schipper) in samenwerking met "Tiswit" en vervaardigd door "De Vlaggenleverancier". De vlag is 100*150cm, gemaakt van 115 grams glanspolyester, bedrukt in zeefdruk en word geleverd met een broekingsband, koord en lus. En...De vlag kan uit! In 2016 bestaat de vlag 200 jaar! De Marker Vlag, nu verkrijgbaar bij het "het informatiepunt" in de haven ( Havenbuurt 19C ).

Kopje, Scheepsvlag of Kwartetspel?

Liever een "echt Marker Kopje" of een "scheepsvlaggetje"? Dat kan ook. Ze zijn ook verkrijgbaar bij "het informatiepunt" of kunt u bestellen via e-mail: info@gemeentemarken.nl.
Nieuw is het "Marker Kwartetspel". Deze is net als de kleurplaat verkrijgbaar bij 't Marker Beertje (Het Rietland 6 Marken)

Interesse of heeft u een vraag? Stuur een e-mail naar info@gemeentemarken.nl

1825: Goudriaan

Voor degenen die regelmatig in de Gouwzee komen is de berm die onder water ligt van even ten Noorden van de haven van Marken naar de tegenoverliggende kustlijn, de Katwouder zeedijk, een bekend gegeven. Met een kieljacht kun je er niet overheen, je moet via de vaargeul door de opening. Aan de kant van Marken is die aangegeven door dat grote driehoekige betonblok.

In 1811 ontwikkelde de Inspecteur-Generaal van Waterstaat, Jan Blanken, in opdracht van Napoleon een plan om Den Helder tot een krachtige marinehaven te maken. Blanken dacht alvast vooruit, en wel aan een kanaal door Noord-Holland om Amsterdam op een veilige en betrouwbare manier met de Noordzee te verbinden. De weg over de Zuiderzee was immers vaak moeizaam en niet ongevaarlijk.

In 1819 kreeg hij de opdracht van Koning Willem I om dit te gaan realiseren en in 1824 voeren de eerste schepen er door heen. Amsterdam had inmiddels bedongen dat in Den Helder geen grote concurrerende bedrijven mochten vestigen. Een probleem voor Amsterdam was steeds de toegang tot het Binnen IJ, die constant dichtslibde. Een oplossing om het hele IJ af te dammen en dan het kanaal door Noord-Holland te gebruiken stuitte op verzet van Amsterdam, dat per se een eigen verbinding met zee wilde houden. In 1823 kwam de Inspecteur-Generaal Goudriaan daarvoor met de oplossing om een kanaal aan te leggen door Waterland vanaf Durgerdam, naar Marken. Vanaf het vaste land naar Marken zou het kanaal de Gouwzee kruisen tussen 2 aan te leggen dijken en daarna Marken in volle lengte doorsnijden om via een sluis bij de vuurtoren in zee uit te komen.

Om de vaarweg te beschermen tegen de stormen uit het Noorden en het Westen zou de Gouwzee afgedamd moeten worden tussen Marken en de landpunt ten oosten van Katwoude. De dam zou een kleine doorvaartmogelijkheid met een sluis kunnen krijgen.

In 1825 besluit de Koning dat het plan uitgevoerd kan worden. Dat leverde natuurlijk enorme protesten op van Monnickendam en van Marken, die hun bestaan van de visserij en de scheepsbouw direct bedreigd zagen als ze geen brede en directe verbinding met de zee meer hadden. Er wordt een request gericht aan de Koning en daarna gebeurt er een tijd niets.

Begin 1828 wordt als eerste begonnen met de aanleg van de kribdam ter afsluiting van de Gouwzee. Voor de bezwaren van de getroffen steden zou compensatie worden geboden, maar daarover werd geen overeenstemming bereikt met de Provincie. De kribdam houdt een kleine voorlopige doorvaartopening.

Het gevolg van de aanleg van deze dam is dat de havenmond van Monnickendam zeer snel verzandt, met nadelige gevolgen voor de lokale economie. Na vele bezwaren van de getroffen stad bij de Koning, het Ministerie en de Provincie wordt uiteindelijk in 1844 begonnen met het uitdiepen van de toegangsgeul. Maar het economisch verval van deze eerder welvarende stad heeft dan al ingezet.

In de tweede helft van de 19e eeuw vervalt Monnickendam bijna tot armoede. Intussen is in 1828 ook gebleken dat het hele plan Goudriaan minstens twee maal zo duur zou worden als begroot. De Tweede Kamer verwerpt de begroting. De werkzaamheden worden stilgelegd.

Voor het probleem van Amsterdam heeft Blanken nu een andere oplossing, zodat het kanaal naar Marken niet meer nodig is. De fundamenten van de kribdammen in de Gouwzee zijn altijd blijven liggen en die kunnen we dus nog steeds zien. Het kanaal slipte dicht en werd gedempt. De grote parkeerplaats en de voormalige vuilstort liggen tegenwoordig op het tracé van het kanaal. Er resteren nog wel enkele zijsloten, waaronder de brede sloot nabij Moeniswerf.
(Luchtfoto's: Jan Tuijp, www.tulipphoto.pro)

1837: De Haven

De vissersvloot groeide. In 1837 werd een eigen haven aangelegd. Deze haven is in 50 jaar tijd twee keer vergroot. In 1890 bestond de Marker vloot uit bijna 200 schepen. Maar de Zuiderzee leverde niet altijd genoeg op om van te kunnen leven. Daarom gingen in de 17de en 18de eeuw veel Markers ook als stuurlui mee walvisvaart van Noord-Hollandse rederijen in het Noordpoolgebied.

Meerdere walvisvaarders voeren onder Marker commandeur (gezagvoerder). Veel voorkomende familienamen dateren uit deze periode: Commandeur, Zeeman, Visser en Bootsman.

Later monsterden ze ook aan op schepen die op de Noordzee visten. Nog later in de 19de en 20ste eeuw voer men op loggers, vooral vanuit grote vissershavens zoals Emden, Vlaardingen en Katwijk.












1916: Holland onder water

Tot 1932 was de Zuiderzee een binnenzee. Voor 1916: Amsterdam, Marken en Volendam liggen aan zee; De Zuiderzee. Deze meet ongeveer 6.000 vierkante kilometer in oppervlakte. Aan de oevers van de Zuiderzee ontstaan vissers- en handelsgemeenschappen. Marken is omringd door de Gouwzee en het Markermeer. De Gouwzee is de ondiepe inham tussen Marken en Volendam.

1916: Watersnoodramp teistert Nederland. Op 13 en 14 januari slaat het noodlot toe. Een stormvloed drijft het zeewaterpeil in de Zuiderzee op, terwijl overmatig smeltwater in de grote rivieren van Nederland vanuit het binnenland druk zet op dezelfde Zuiderzee.

Het gevolg is dat de dijken bij tientallen plaatsen aan de Zuiderzee doorbreken. De watersnoodramp trof ook grote delen van Waterland.

Op 16 januari 1916 gierde de wind met een snelheid van honderd kilometer per uur door Noord-Holland. De Waterlandsche Zeedijk, ten zuidwesten van Marken, werd over een lengte van anderhalve kilometer weggeslagen. Ook bij Edam brak een dijk door. Het hele gebied rond Edam, Purmerend, Broek in Waterland en Durgerdam stond blank.

De ramp had vooral materiële schade tot gevolg. Huizen en boerderijen verdwenen in het water, de bewoners dakloos achterlatend. Maar er vielen ook zestien dodelijke slachtoffers, allemaal op het eiland Marken. Marken was alleen beschermd door lage kades, waar het water overheen stroomde. Verscheidene vissersschepen werden op de wal gegooid en aan aantal eilandbewoners kon niet meer vluchten.

De hulp kwam snel op gang. Allerlei grote gebouwen werden ingericht om mensen op te vangen. Kerken dienden soms als koeienstal. Particulieren zoals de industrieel Bernard van Leer zetten hulpacties op touw. Prins Hendrik bezoekt samen met vorstin Wilhelmina en prinses Juliana het getroffen Marken.

Op de foto's: Prins Hendrik krijgt uitleg bij de toestand naar aanleiding van de overstroming op Marken. Chaos in de Marker haven. Door elkaar en op elkaar geslagen botters. De botter op de voorgrond is de MK 37 van Jan Schouten Czn. (Jan van Kees). Rechts de smederij.

Op de foto daaronder: Prins Hendrik op bezoek op Marken naar aanleiding van de overstroming en de havenbuurt met op de achtergrond de panden Siberie en Moskou.

Bij de watersnoodramp kwamen op het eiland Marken 16 mensen om het leven en werden tal van mensen dakloos.

Zuiderzeewet

De schrik zit er goed in. Deze ramp gaf de stoot tot de aanleg van de Afsluitdijk en de Zuiderzeewerken. De plannen voor de drooglegging van de Zuiderzee werden concreet. De vier eilanden: Wieringen, Urk, Schokland en Marken zouden daarbij als natuurlijke steunpunten ingeschakeld worden.

Door de gevolgen van de Watersnoodramp zijn de geesten in Nederland rijp: de zee moet bedwongen worden, ongeacht de consequenties voor vissers en zeelieden. De Zuiderzeewet wordt aangenomen. Het plan daarvoor kwam van ir. Cornelis Lely en was in 1913 door koningin Wilhelmina in de troonrede gelanceerd. Door de Eerste Wereldoorlog liep het plan vertraging op. Op 13 juni 1918 werd het wetsontwerp aangenomen om de Zuiderzee af te sluiten en droog te maken.

Op 28 mei 1932 was de Afsluitdijk klaar en kon een begin worden gemaakt met de inpoldering




1932: Afsluitdijk, van Zuiderzee tot IJsselmeer

In het begin van de twintigste eeuw was de Zuiderzee een binnenzee met zout water. Er werd door de regering al jaren over gedacht om deze grote zee in te polderen. Toen in januari 1916 door een zware storm diverse overstromingen ontstonden, besloot de regering om door te zetten. Het plan van de waterstaatkundig ingenieur Cornelis Lely moest uitgevoerd worden. Na een paar proefinpolderingen (bij Medemblik en later de Wieringermeerpolder) was het zaak om de zee af te sluiten. De twaalfde provincie van Nederland moest verrijzen uit de Zuiderzeeklei.

In het kader van de plannen ontwikkeld door ir. Cornelis Lely, werd eerst de Afsluitdijk, tussen Den Oever (Noord Holland) en Zurich (Friesland) aangelegd.

In 1932 was de afsluitdijk gereed en de zee getemd.

De 32 kilometer lange zeewering betekent het einde van de Zuiderzee. Het gebied onder de Afsluitdijk gaat IJsselmeer heten. Het water wordt brak in plaats van zout. Dit heeft grote gevolgen voor de vissersgemeenschappen.

Ontstaan van Markerrondbouw

In de dertiger jaren van de twintigste eeuw was het zeilende bedrijfsvaartuig al lang op zijn retour. De meeste vrachtschippers hadden de zeilen al vervangen door motoren, of maakten gebruik van opduwers. Op de Zuiderzee echter werd nog onder zeil gevist door een vloot van vele vaak houten vissersschepen. Er waren geen nieuwe typen zeilende bedrijfsvaartuigen meer ontstaan, en er was ook geen noodzaak voor iets nieuws. Toch ontstond er nog een laatste loot aan de stamboom van Nederlandse beroepszeilschepen; de Markerrondbouw. Hoe kwam het dat er behoefte was aan een nieuw type zeilend visserschip? Om deze vraag te beantwoorden moeten we de omstandigheden uit die tijd eens nader bekijken.

Het is begrijpelijk dat de vissers van de Zuiderzee hierdoor hun wereld zagen instorten. De vele protesten van hun kant hadden niet geholpen. De verwachting was dat het wel snel grotendeels afgelopen zou zijn met de visserij. Ook de regering verwachtte dit en had de "Zuiderzee steunwet" aangenomen om de brodeloos wordende vissers tegemoet te komen. De wet hield in dat de regering de vissers schadeloos zou stellen, of voor vervangend werk zou zorgen.

Inmiddels was de wereld echter beland in een diepe economische crisis, waardoor werkgelegenheid en geld voor steun schaarse artikelen waren. De vangsten op het IJsselmeer liepen gestadig terug. Steeds meer vissers stopten met vissen, de schepen werden opgelegd, verkocht of gewoon aan hun lot overgelaten.

Gelukkig gebeurde er iets waar de meesten niet op hadden gerekend, in het IJsselmeer verschenen geleidelijk aan steeds meer andere soorten vis. Snoekbaars uit de rivieren en paling voelden zich uitstekend thuis in het nieuwe zoete water. Bovendien werd het IJsselmeer nog niet direct totaal ingepolderd. Dit was een meevaller voor de vissers, die zich absoluut niet prettig voelden in de fabriekjes en bedrijven, waar ze moesten werken. Als je het vrije leven op zee gewend bent valt het niet mee van 8 tot 5 in de fabriek.

De regering speelde op de nieuwe situatie in door met behulp van de Zuiderzee steunwet de mogelijkheid te bieden om toch als visser je brood te kunnen verdienen. Ook vissers die opnieuw werkeloos waren geworden omdat het slecht ging met het bedrijf waar ze te werk waren gesteld, konden hierdoor een nieuwe start maken in de visserij. Het was mogelijk om krediet te krijgen en zodoende een schouw te laten bouwen. De bedoelde schouw (ook wel spekbak genoemd) was een zeilend stalen vissersschip dat was ontstaan uit een scheepje dat voor sloten en kleine meertjes werd gebruikt. Het werd wat groter gebouwd (van 7 tot 10 meter) zodat het geschikt was voor de Zuiderzee. De schouw werd onder andere gebruikt door de vissers in Hoorn.

Maar het meest gebruikte schip op de Zuiderzee was de botter. Deze was groter (12 tot 14 meter) en geheel van hout. De meeste botters waren echter toen al oud en vergden veel onderhoud. De bouw en het onderhoud was arbeidsintensief en daarom duur. Zeker op het zoet geworden water hadden ze heel wat aandacht nodig. De schouw was goedkoop en snel te bouwen, en de Rijksdienst ter Uitvoering van de Zuiderzeesteunwet dacht dat hiermee de botter wel vervangen zou kunnen worden.

In Volendam, waar ooit vele botters hun thuishaven hadden, wilde men graag weer aan de slag. De vissers gingen akkoord met de keuze van de Rijksdienst, maar kwamen daar een jaar of twee later weer op terug. De schouw was inderdaad goedkoper in aanschaf en onderhoud, en een groter schip was ook niet nodig, maar de botter was toch meer schip. Bovendien hadden zij inmiddels kennis gemaakt met een nieuw type schip. Een schip dat ook van staal was, maar dat wat meer eigenschappen had van een botter.

Eerste Markerrondbouw

Tijdens de afsluiting van de Zuiderzee, in 1932, woonde op Marken de drie gebroeders Botsman, die gezamenlijk met een kleine schouw visten. Vanuit de haven van Oude Zeug gingen ze meestal richting afsluitdijk om op bot te vissen, die zich steeds verder richting waddenzee terugtrok. Voor dit ruime gedeelte van het nieuwe IJsselmeer was hun houten spekbak eigenlijk te klein. Ze wilden een ander, groter schip. Geen botter maar een schip van staal dat niet te veel onderhoud vergde. Het moest een ruim scheepje zijn, geschikt voor de visserij met staande netten.

Over de vorm waren ze het nog niet eens, iets met een mooie klippersteven leek ze wel wat. Maar na hierover verder doorgedacht te hebben moest het schip toch een wat vollere kop hebben. Op het IJsselmeer konden nogal eens behoorlijke golven voorkomen, en dan was het natuurlijk niet de bedoeling dat het nieuw te bouwen schip daar haar kop diep in zou steken. Het moest een zeilschip zijn, omdat de marker vissers gewend waren aan hun vismethodes, die op het zeil uitgevoerd werden. Al eeuwenlang waren de technieken om vis te vangen afgestemd en aangepast op het zeilen. Ook bij een schip dat speciaal bedoeld was voor het vissen met staande netten, stonden goede zeileigenschappen bovenaan op het verlanglijstje. Het was tenslotte zo dat je onder alle omstandigheden met je schip veilig en snel thuis moest kunnen komen, en de motoren uit die tijd waren nog niet zo betrouwbaar.

In overleg met de scheepsbouwer van Goor in Monnikendam werden de ideeén voor de een nieuw schip verder uitgewerkt. Het aldus ontstane schip lijkt wel wat op de door de vissers geliefde botter, is wat kleiner, van staal en had toch veel ruimte om te werken doordat het een platte spiegel heeft. De naam Markerrondbouw ontstond omdat het schip geen platte bodem heeft, zoals de botter, maar onder water rond is zoals de Lemmeraak. In 1934 werd bij de scheepswerf van Goor de eerste Marker Rondbouw te water gelaten. Het had 1800 gulden gekost en kreeg als nummer MK 75. Deze Rondbouw was een compleet zeilschip zonder motor en was gebouwd zonder krediet van de Zuiderzee steunwet.

Volendamse haven vol Markerrondbouw

Het schip beviel uitstekend. Er volgden al snel een paar marker vissers die de voordelen van het nieuwe schip zagen. Zo werden de MK 5 en de MK 48 naar het model van de MK 75 gebouwd. Het duurde echter niet lang voordat Volendammers ook zo'n "Rondbouw naar Marker model" wilden. Degenen die eerst genoegen hadden genomen met een schouw van de steunwet kregen al snel spijt van hun beslissing. Ze gingen opnieuw naar de directeur van de Zuiderzee steunwet en wisten hem te overtuigen dat met zo'n scheepje, dat speciaal aan de nieuwe omstandigheden was aangepast, veel meer gevangen kon worden dan met een schouw. Zodoende kregen zij een aanvullend krediet voor een Markerrondbouw, compleet met zeilen, vistuig en een kleine hulpmotor.

Al snel melden zich steeds meer vissers bij de Rijksdienst met het verzoek om een krediet voor dit nieuwe schip. Zelfs vissers die nog een goede botter of een kwak (een grote botter) hadden, verkochten hun schip en gingen over tot de aanschaf van dit handige scheepje. In korte tijd kreeg de scheepsbouwer van Goor zoveel aanvragen voor een "Rondbouw naar Marker model" dat dit de capaciteit van de werf te boven ging. De ongeduldig geworden vissers werden gedwongen uit te wijken naar andere werven. Diverse scheepsbouwers rondom het IJsselmeer kregen verzoeken van Volendammers om een Markerrondbouw te bouwen. Opdrachten gingen naar Wed. de Groot in Edam, Amels in Makkum en van der Werff in Bolsward, om enkele te noemen. Zij namen het model over en profiteerden zodoende mee van de groeiende vraag naar dit schip.

Later volgden vissers uit Enkhuizen, Bunschoten, Makkum en Urk het voorbeeld van de Markers en Volendammers. In de jaren voor en vlak na de tweede wereldoorlog werden ongeveer 33 Markerondbouwen op zeven werven rond het IJsselmeer gebouwd.

Geleidelijk werden de motoren voor de schepen steeds betrouwbaarder en krachtiger, en ging men over op volledig gemotoriseerde vistechnieken, de zeilen werden steeds minder gebruikt. Aan het eind van de veertiger jaren kregen de nieuw te bouwen schepen een scherpe steven, terwijl ze aanvankelijk verder nog op de Markerrondbouw leken. De zeilen werden echter hulpzeilen. Ook de originele Markerrondbouwen ontkwamen niet aan de invloed van de voortschrijdende techniek. Voor het gebruik van sleepnetten werden steeds zwaardere motoren in gebouwd om de concurrentie de baas te blijven. Zo steeg het motorvermogen van aanvankelijk 10 pk tot soms wel 120 pk of meer.

Toch duurde het nog tot de zeventiger jaren voordat de laatste Markerrondbouw de zeilen streek en volledig gemotoriseerd verder ging. Op het IJsselmeer liepen de vangsten echter opnieuw terug. Hierdoor kwamen veel schepen werkeloos aan de kade te liggen. De eerste Markerrondbouwen werden al in de vijftiger jaren verkocht om als pleziervaartuig een nieuw leven te beginnen. Als vissersschip zijn bijna alle originele Markerrondbouwen nu uit de vaart. Op een enkel schip na bestaan alle Markerrondbouwen nog. De meeste als pleziervaartuig, zowel zeilend als omgebouwd tot motorboot, maar er zijn ook nog enkele in bijna originele staat als visserman.

Indertijd zijn vrijwel alle Markerrondbouwen gebouwd met een hulpmotor. Maar ze werden echter allemaal geleverd als compleet getuigd zeilschip, en er werd beroepsmatig mee gezeild. Hierdoor kan gesteld worden dat dit type schip de laatste loot was aan de grote Nederlandse stamboom van zeilende bedrijfsvaartuigen.
(Bronvermelding: Peter Dorleijn, Van gaand en staand want deel 2. Amsterdam 1982. )

1940 Markerwaard

Door de afgelegen ligging verliep de Tweede Wereldoorlog op Marken zonder veel strijd. De meesten van de elf Markers die omkwamen trof dit lot op zee. Op het eiland waren enkele Duitse militairen gelegerd.

In 2008 werd tijdens een hulpactie van een Marker reddingboot een deel van een propeller opgehaald. Onderzoek wees uit dat het ging om een deel van een neergestorte Engelse bommenwerper. (bommenwerper Short Stirling BK 710, gecrashd in 1943) De nabestaanden van de bemanning werden opgespoord en het propellerblad werd het centrale deel van een nieuw monument bij dorpshuis Het Trefpunt. Dit monument, ingewijd in 2011 in aanwezigheid van nabestaanden, eert naast de Engelsen ook de Markers die de oorlog niet overleefden.

Al in het begin van de oorlog werd als een soort werkverschaffingsobject een dijk vanaf Marken in noordelijke richting aangelegd. Dit als voorbereiding voor de inpoldering van de Markerwaard. Deze doodlopende dijk staat nu bekend als de Bukdijk en vormt het leefgebied voor vele vogels en andere dieren maar heeft verder geen infrastructurele functie.

Ook wordt er in 1940 een begin gemaakt aan het droogleggen en inpolderen van de toekomstig 12e provincie van Nederland: Flevoland (1.500 vierkante kilometer extra grondoppervlak in Nederland). Een onderdeel van de Zuiderzeewet was de Markerwaard, waarvan als eerste onderdeel de dijk tussen Marken en het vasteland werd aangelegd. Daarna werden de polders Noordoostpolder, Oostelijk Flevoland en Zuidelijk Flevoland aangelegd.










1953: Watersnood

Dit jaar staat in Nederland synoniem voor 'De Watersnoodramp'. Een combinatie van westerstorm en een springrij zorgt in de nacht van 31 januari op 1 februari voor een catastrofe in zuidelijk Nederland.

De Afsluitdijk doorstaat haar eerste grote proef. Waar in Zuid-Nederland 1836 mensen overlijden, 100.000 mensen hun huizen verliezen en 200.000 hectare grond onder water komt te staan, blijft de schade in het gebied van de voormalige Zuiderzee tot een minimum beperkt.

1957: Schiereiland

Op 17 oktober 1957 werd om 13.11 uur, bij een temperatuur van 14 graden, een zwak zonnetje en matige zuidwesten wind, de dijk tussen het vasteland en Marken ontsloten.

Tot die tijd was Marken alleen per boot te bereiken. Tenzij er natuurijs lag, dan was ijszeilen, schaatsen of lopen mogelijk en vaak zelfs noodzakelijk. Met de dijk word "het eiland Marken" nu een schiereiland, verbonden met de vaste wal door de Zeedijk van 1.6 km. Het heeft tot 1959 geduurd voordat men ook daadwerkelijk via deze verbindingsdijk naar Marken kon komen. Niet alleen kostte het veel tijd om alle klinkers te leggen die de weg zouden vormen op de dijk maar er was nog een ander probleem.

Een gedeelte van de Marker bevolking en het gemeentebestuur hadden namelijk verdeelde meningen over hoe de weg op Marken zou moeten gaan lopen. De winkeliers op de Haven, waaronder de bekende Sijtje Boes, wilden dat de weg vanaf het Kruis naar de Havenbuurt zou lopen. Maar een flink deel van de Marker bevolking en het gemeentebestuur wilde dat de weg naar het centrum van Marken zou leiden. De gedeputeerden van Noord-Holland zijn zelfs naar Marken gekomen om zich van de situatie op de hoogte te stellen.

En - nog meer dan daarvoor al het geval was - gingen Markers 'aan de wal' werken en naar school. Bevoorrading door ijszeilers in de winter is niet langer nodig. De hechte gemeenschap op Marken wordt toegankelijker voor buitenstaanders.

1976:Markermeer

Als laatste was de "Markerwaard" aan de beurt. Begonnen werd met de bouw van de Houtribdijk of "Markerwaarddijk" die Lelystad met Enkhuizen verbindt. Hierdoor is het Markermeer van het IJsselmeer gescheiden. Marken en Volendam liggen niet langer aan het IJsselmeer, maar aan het Markermeer. De bedoeling was om in het Markermeer nog meer land te ontginnen. Marken zou op die manier zijn eilandstatus verliezen en onderdeel van een groter ontpolderd gebied worden. Oorspronkelijk was het plan dat Marken onderdeel werd van de Markerwaard. Deze nieuwe polder was onderdeel van het plan van Cornelis Lely om wat nu nog Markermeer is in te polderen en werd niet uitgeverd

1986: Flevoland

1986: Nederland krijgt officieel een 12e provincie. Flevoland ten westen van Marken, is in zijn geheel 'gewonnen' op het water.




1991: Waterland

Marken was een zelfstandige gemeente tot 1991. Sinds 1 januari 1991 is Marken - net als in de Middeleeuwen - weer onderdeel van Waterland, als één van de kernen van de gelijknamige gemeente, toen het opging in de fusiegemeente Waterland.

Markerwaardpolder

Na de aanleg van de Flevopolder werd uiteindelijk in 2003 ook afgezien van de aanleg van de Markerwaardpolder. Er wordt officieel besloten geen delen van het Markermeer te ontpolderen. Marken zal een schiereiland blijven, waarbij het eilandgevoel nog duidelijk merkbaar is.